Een wilgenfluitje

Element lucht

De Zonnejaargroep

Voor het maken van een wilgenfluitje neem je vers hout in het voorjaar (tot 24 juni), als de sapstroom actief is, anders laat de bast niet los.

Gebruik een scherp (houtsnij)mesje.

Kies een wilgentak van ± 1,5 cm dik. Laat de tak niet uitdrogen; snijd er meteen een recht stukje van ± 8 cm lengte af (zonder knoest).

Leg het takje op een stevige ondergrond en beklop het rondom met een houtje. Rol het af en toe met de vlakke hand, tot de bast loslaat en het hout er uit geschoven kan worden.

Zowel de bast als het hout wordt gebruikt.


Snijd van het houtje ± 1,5 cm af. Dit wordt de ‘kurk’.


Plat de ‘kurk’ aan een kant af (’n beetje hol), en schuif deze in de bast.


Maak precies op de plek waar de kurk eindigt (zie rode stippellijn op bovenstaande tekening) een inkeping in de bast, en snijd het klankgat uit.

Voor de tegendruk kun je even het langere stukje hout aan de andere kant in de bast schuiven (als je het nat maakt gaat dat beter).

Laat het houtje er nu weer een eindje uit steken.

En... blazen maar! (niet te hard.)

Moet er misschien nog wat van de kurk af?

Met het schuifhoutje kan je verschillende tonen maken, net als bij een schuiftrompet.

Maak het fluitje af en toe nat om er langer plezier van te hebben. Maar het is niet echt heel lang houdbaar.

uit het boekje Sint Jan

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on HyvesShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista