Het beeld van MichaŽl door de tijden heen

Alice Woutersen

Michaël is een groot en machtig geestelijk wezen, dat de ontwikkeling van de mensheid begeleidt en behoedt. In dienst van Christus wijst hij de mens de weg naar de vrijheid, zodat de mens zijn Ik in zich kan dragen. Hij is de behoeder van de kosmische intelligentie, en vanuit die functie ziet hij toe op de ontwikkeling van het menselijke denken en begeleidt de ontwikkeling zo, dat de mensen de mogelijkheid geboden krijgen niet te verharden en te verstarren.

Wat dat inhoudt is voor ons mensen nauwelijks te bevatten. Wij kunnen hoogstens proberen een klein tipje van de sluier op te lichten en met een paar primitieve penseelstreken een beeld schilderen van de ontwikkelingsweg van de mens en van Michaël. Stamelend in de woorden van alledag zou het als volgt kunnen klinken:

Heel lang geleden, zo lang dat wij mensen er geen voorstelling van kunnen maken, voelden geestelijke wezens (Goden, God) in zich de behoefte opkomen om bewustzijn te krijgen van iets dat in hen leefde: de Kosmische Liefde.

Nu weten wij mensen heel goed, dat je pas echt bewustzijn over iets kunt krijgen, als je er afstand toe kunt scheppen, dat wil zeggen: er van buitenaf tegenaan kunt kijken. De Geestelijke wezens besloten dan ook wezens te scheppen, die ééns vanuit hun eigen innerlijk de Liefde zouden kunnen ontwikkelen. Zij besloten Mensen te scheppen. En alle geestelijke wezens die mee wilden doen, droegen hun steentje bij. Dit proces duurde heel lang. De mens leefde onbewust en nog geheel opgaand in de geestelijke wereld. De mens sliep als het ware en was één met de gedachten van God (Adam in het Paradijs).

Maar het ogenblik kwam dat de mens moest ontwaken. Je kunt alleen ware en belangeloze liefde ontwikkelen als je vrij kunt zijn en 'op je eigen benen staat'. De mens moest losgemaakt worden van de hem omringende geestelijke wezens. Een hoog geestelijk wezen nam de taak op zich 'tegenstandersmacht' te worden en uit de kosmische harmonie te stappen. Op deze manier kon hij de mens lostrekken van de goden, om zo de mogelijkheid te scheppen dat de mens zich tot een vrij wezen kon ontwikkelen.

Er zijn vele verhalen waarin verteld wordt hoe Satanaël (Lucifer) uit de kosmische harmonie verdreven wordt. Het is steeds Michaël die Satan (Lucifer) uit de hemel stoot. Vanaf dat moment is Lucifer 'tegenstandersmacht' geworden en kan het werk, beginnen: de mens losmaken uit de kosmische harmonie.

In eerste instantie werken Lucifer en de geestelijke machten in zekere zin nog samen. Prachtig wordt dit beschreven in de Noorse mythologie (Edda) waar Loki/Lucifer de goden nog helpt, maar na verloop van tijd gaat Loki alles in de war sturen en bewerkt tenslotte samen met zijn kinderen (oa de Fenriswolf) dat de goden voor de beleving van de mensen verdwijnen. Dan is de mens los van de goden. ('God is dood' beleven). Zou de mens werkelijk aan zijn lot overgelaten zijn, dan was het slecht met hem afgelopen. Als weerloos wezen was hij beland in de armen van de tegenstandersmachten. Hij zou geen vrijheid beleven en geen ware liefde kunnen ontwikkelen.

Maar de geestelijke wereld liet de mensen niet alleen. Een heel hoog geestelijk wezen gaat met de mens mee: Christus noemen wij Hem. Hij is zo begaan met de mens, dat hij besluit in een aards mensenlichaam te incarneren. Op deze manier kan hij het mensenlichaam, met al zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zo doorwerken, dat hij juist die krachten kan ontwikkelen die de mens nodig heeft om zich te bevrijden uit de omknelling van de tegenstandersmachten. Christus ontwikkelde deze krachten voor alle mensen: sinds het Mysterie van Golgotha draagt ieder mens deze krachten in zich.

Deze Christusvonk kunnen wij in onszelf ontwikkelen en laten opvlammen, waardoor we in staat zijn ons doel te verwezenlijken: een vrij mens te worden die vanuit zichzelf de ware liefde ontwikkelt. Of wij deze kans gebruiken? Het is onze vrije keuze. In dienst van Christus werkt Michaël. Hij houdt de mens steeds in het oog en blijft dicht bij de mensen. Hij wil de mens de mogelijkheden bieden, opdat hij niet verhardt in het dagelijks bestaan. Hij wil voorkomen dat het denken van de mens verstart. Zelf is hij een en al goedheid en beweeglijkheid.

Samenvattend:

Doordat de tegenstandersmachten de mens losmaken van de goden en Christus de mens de nodige krachten schenkt, is de mens met behulp van Michaël in staat zijn vrijheid te ervaren en vanuit die vrijheid te leren denken met zijn hart, en zo uiteindelijk de ware onbaatzuchtige liefde te ontwikkelen.

In het oude testament wordt duidelijk beschreven hoe de Satan de mens verleidt om te eten van de vruchten van de Boom der kennis van goed en kwaad. De mens gaat zelf denken en daarmee begint de afzonderings-val (=zondeval) van de mens. Het werk is begonnen.

Langzaam maar zeker pellen de tegenmachten de mens los van de goden. Michaël is waakzaam en behoedt de mens voor verharding. Hij begeleidt de mens.

Pas in de 'na-Atlantische tijd' begint de mens echt te denken; dit is dus na de zondvloed (Ark van Noach), als door de grote watercatastrofe Atlantis ten onder is gegaan. Aangepast aan het ontwikkelingsniveau van de mens schenkt Michaël beelden (voorbeelden) opdat de mens die deze beelden in zich opneemt niet verzandt of verstart. De beelden tonen de mens waarnaar hij moet streven om werkelijk een vrij mens te worden.

In de na-Atlantische tijd onderscheiden wij zeven cultuurperioden van ongeveer 2150 jaar, die elk zijn verbonden met een sterrenbeeld van de Dierenriem, dat wil zeggen, het lentepunt tijdens de periode in een bepaald sterrenbeeld staat.

  1. De Oud Indische cultuurperiode 7227-5067 v.C. Kreeft
  2. De Oud Perzische cultuurperiode 5067-2907 v.C. Tweelingen
  3. De Babylonisch/Chaldeïsche/Egyptische cultuurperiode 2907-747 v.C. Stier
  4. De Grieks, Romeinse cultuurperiode 747 v.C.-1413 n.C. Ram
  5. De Germaans/Angelsaksische cultuurperiode 1413-3573 Vissen
  6. De Slavische cultuurperiode 3573-5733 Waterman
  7. De Amerikaanse cultuurperiode 5733-7893 Steenbok

In de Oud Indische Cultuurperiode leefden de mensen nog niet zo sterk verbonden met hun lichaam als wij. Je zou beter kunnen zeggen: ze verbonden zich nog nauwelijks met hun fysieke lichaam, maar namen via hun etherlichaam de hen omringende wereld waar. Ze ademden de goddelijke gedachten als het ware in en uit en waren er één mee. De mogelijkheid om met het etherlichaam waar te nemen nam gaandeweg af en de zintuigelijke waarnemingen drongen zich steeds meer op, Dat wat men met de gewone zintuigen begon waar te nemen werd als storend en vijandig ervaren, als Maja (schijn), waarvan men zich beter verre kon houden. En diegene die dit beangstigende, deze 'draak', kon verslaan noemde men Indra. In de Rigveda wordt dat als volgt verteld:
"Hij die de in het gebergte wonende Sambara in het veertigste jaar opspoorde, die de van kracht opgezwollen draak overwon, de Demon die daar ter neer lag, Hij, gij-lieden, is Indra."

De wereld werd nog als heelheid ervaren, in tegenstelling tot de volgende periode.

In de Perzische Cultuurperiode was het niet meer mogelijk in het etherlichaam te leven en waar te nemen. De mens beleeft de wereld meer door zijn astraallichaam en zijn reacties op de waarnemingen. Hij gaat de wereld als tweeheid ervaren: licht-donker, onder-boven. Deze cultuur richt zich in eerste instantie op de buitenwereld en het dagbewustzijn. Achter het tapijt van de zintuiglijke wereld zag men het weven van geestelijke wezens en in samenwerking met deze wezens werden vanuit de mysterieplaatsen granen en dieren veredeld: uit gras werd graan gekweekt. Daar men dus erg naar buiten gericht was en in het dagbewustzijn leefde, kon men Michaël niet zo goed waarnemen. Michaël kon zich in de voorchristelijke tijd alleen maar via het nachtbewustzijn openbaren. Wel ziet men reeds in deze cultuur het Christuslicht opglanzen. Ormuzd (Ahura Mazda) verschijnt als zonnegeest, omringd door dienaren, als vóór-beeld van Christus met zijn discipelen. Als duistere macht verschijnt hier Ahriman. Zarathustra is de Grote Leider.

Verdiepte men zich vanuit deze cultuur in de weg naar binnen, dan ontmoette de ingewijde daar de God Mithras: bemiddelaar tussen aarde- en lichtwereld, die de mens terzijde stond in zijn ontwikkeling. Deze Mithras mysteriën kwamen pas goed tot ontwikkeling in de derde cultuurperiode, toen de zon in het sterrenbeeld van de Stier stond.

De Mithrasdiensten werkten nog lang door, zelfs tot in de Romeinse tijd. Bekend is de afbeelding van Mithras op de stier; ook dit is een vóór-beeld. In die tijd stond de zon in het lentepunt in het sterrenbeeld van de Stier. Nu werken juist de levenskrachten en driften vanuit dit sterrenbeeld in op de aarde. Deze krachten werden in de lente sterk ervaren en het beeld van de stier werd tot beeld van de onbewuste (animale) mens. Deze stier moest overwonnen worden door de denkende mens. (de jongeling op de afbeelding draagt een frygische muts als teken van inwijding en denken) Mithras/Michaël geeft hier het beeld van de hogere mens, die het lagere moet overwinnen als vóór-beeld.

In de Babylonisch, Chaldetsch, Egyptische Cultuurperiode begint de mens zelf persoonlijk waar te nemen, is dus niet meer geheel ingebed in de groepswaarneming. Hij begint zijn eigen waarnemingsziel te ontwikkelen. Hierdoor begint de wereld voor de mens enigszins chaotisch te worden. In de Babylonische legende van Marduk wordt verteld hoe Marduk/Michaël de mens helpt orde te scheppen in deze chaos.

De tijd gaat voort; de tegenmachten krijgen steeds meer grip op de mens. Hij ervaart nog steeds zijn goden (geestelijke wezens), maar de beelden worden steeds vager en onduidelijker, of veranderen zelfs. Als dit zo door zou gaan, zou de mens loskomen van de geestelijke wereld en geheel in de armen van de tegenmachten belanden, zonder vrij te worden.

Om te zorgen dat de mens wel een vrij wezen kan worden, gaat Christus met de mens mee, incarneert in een mensenlichaam. Dit moet voorbereid worden, en zo wordt het Joodse volk, dat afkomstig is uit Ur in Chaldea, uitverkoren om dit lichaam te ontwikkelen. Om dit proces te begeleiden wordt Michaël, als 'aangezicht van Javeh', de leidende volksgeest (zie bv. het verhaal van Bileam). In de literatuur zijn vele verhalen over Michaël en het Joodse volk.

In de vierde na-Atlantische cultuurperiode, de Grieks-Romeinse, gaat de mens naast zelf waarnemen nu ook zelf voelen en denken. Naast de waarnemingsziel wordt nu ook de verstands-/gemoedsziel ontwikkeld. Door de eigen gedachten wordt ook de begeleiding van Michaël duidelijk.

De geboorte van de goden-tweeling Apollo en Artemis kondigt als vóór-beeld de ontwikkeling van de verstands-/gemoedsziel al aan. Zij zijn kinderen van Zeus en Leto (uit het geslacht der Titanen). Hera, de gemalin van Zeus, probeert op allerlei manieren deze ontwikkeling tegen te gaan, maar zelfs de verschrikkelijke draak Typhon kan dit niet verhinderen. Apollo/Michaël doodt de draak, zodat de ontwikkeling verder kan gaan. Niet voor niets stond in het heiligdom van Apollo in Delphi de Spreuk: "Ken U Zelf" in hoog aanzien.

In onze tijd is Michaël tijdgeest; zo ook van 599 tot 245 v.C. dat wil zeggen dat dan zijn werking duidelijk waarneembaar is. Onder zijn inspirerende invloed maakt de manier van denken een grote stap voorwaarts.
Voorbeelden hiervan zijn o.a.: Gautama Buddha, Confucius, Pythagoras, Herakleitos, Socrates, Plato en Aristoteles; maar ook de oudtestamentische profeten en Griekse kunstenaars en toneelschrijvers.
Hoewel de mens de verbinding met het goddelijke nog zeer sterk voelde, probeerde men, geïnspireerd door de geestelijke wereld, gedachten in een vorm of beeld te gieten. De werking van de gedachten van deze filosofen straalt nog door tot in onze tijd.
In de vierde na-Atlantische periode vindt ook het Mysterie van Golgotha plaats. Jezus Christus overwint de dood en kan daardoor de mens de nodige krachten schenken om zich af te zonderen van de goden (zonder verloren te gaan) en vrij te worden. Vanuit deze vrijheid kan de liefde ontwikkeld worden en kan de mens bewust streven weer in harmonie met de kosmos te leven.

Christus vernieuwt de mysteriën, dat wil zeggen: hij opent de weg voor ieder mens om zelf aan de slag te gaan dit hoge doel te verwerkelijken.

Michaël, die steeds in dienst van Christus gewerkt heeft, kan na het Mysterie van Golgotha de mens ook via het wakkere dagbewustzijn inspireren. Michaël zal de mens nu verder moeten begeleiden in zijn denkproces. Eerst de weg tot in het zuiver natuurwetenschappelijke denken, en dan de bewuste weg naar het weer in harmonie met de kosmos denken. Zijn opdracht is de mens zo te begeleiden, dat de mens vrij wordt maar niet verhardt. De eerste zorg is dat de ziel van de mens (de 'jonkvrouw') niet in de macht van de draak komt. De tegenmachten loeren op elke mogelijkheid de mens van zijn doel af te houden. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van Sint Joris met de draak. In de Middeleeuwen wordt het beeld van Michaël met draak, weegschaal, of staf als het ware in de mens geprent; overal duiken in deze tijd verhalen op hierover.

En de ontwikkeling gaat verder...

De vijfde na-Atlantische periode breekt aan: de Europese (Germaans-Angelsaksische) cultuurperiode.

De natuurwetenschappen en de techniek komen tot ontwikkeling. Het is de tijd waarin de mens zijn bewustzijnsziel moet gaan ontwikkelen, dat wil zeggen: bewustzijn over de draagwijdte van je daden. In deze periode kan de mens loskomen van God om daarna uit vrije wil de verbinding met de geestelijke wereld weer bewust te leggen. De mens moet zelf, uit vrije wil, het besluit nemen samen te werken met de geestelijke wereld.

De Noors-Germaanse mythologie geeft daar een beeld van: Widar, de zoon van Odin (Wodan of Woen) gaat niet ten onder in de Godenondergang. Hij verslaat de Fenriswolf. Een leugenwolf: een beeld voor datgene wat de waarheid verdraait en ons denken verhardt. Deze Fenriswolf wordt zo overweldigend, dat de Edda schrijft: "De Wolf Fenris trekt met opengesperde muil ten strijde; zijn bovenkaak reikt tot aan de hemel en zijn onderkaak schuift over de aarde. Vuur laait uit zijn ogen en neusgaten." Odin trekt ten strijde tegen de Fenriswolf, maar deze verslindt Odin.

En na de dood van Odin "...komt Widar naar voren en zet één voet in de onderkaak van de wolf. Aan die voet heeft hij een schoen waarvoor men eeuwenlang gespaard heeft. Die is gemaakt uit de stukken leer die de mensen uit hun schoenen snijden voor hun tenen en hielen. Daarom moet iemand die de Asen wil helpen die stukken leer wegwerpen. Met één hand pakt hij de bovenkaak van de wolf en scheurt zijn muil in tweeën en dat betekent het einde van de wolf. "

Wij mensen moeten Widar onze overschotskrachten schenken. Dat zijn dus niet de krachten die wij gebruiken voor ons karma (schoenen zijn een beeld voor het lot, karma; vgl. de uitdrukking: ik zou niet graag in zijn schoenen staan), maar juist krachten, zoals enthousiasme en inzet, die wij opdragen aan de geestelijke wereld. Deze overschotskrachten heeft Widar/Michaël heden ten dage nodig om de teugenwolf die rondwaart in o.a. wetenschap en media te lijf te gaan. En alleen wij mensen kunnen hem deze krachten schenken.

Het beeld dat deze oude mythologie in de harten van de Europese mensen legde, was dus: wij mensen moeten de Geestelijke wereld helpen het Boze te verslaan. Een prachtig beeld, dat we diep in onze ziel zouden moeten laten inwerken.

Dit waren allerlei beelden die Michaël de mensheid gaf. Nu komt het erop aan dat de mens zelf het heft in handen gaat nemen. Worstelend op weg naar vrijheid, zoekend naar de Liefde en de bewuste harmonie met de kosmos.

Parcival laat ons zo'n weg zien, vele sprookjes vertellen erover.

Faust toont dat de mens de duivel moet leren kennen en steeds moet streven.
De Kleine Prins wijst erop dat je het kind in jezelf niet moet verliezen, want een
kind kan onbevangen met zijn hart zien.

Er zijn nog vele andere beelden. Het belangrijkste is dat we op weg moeten gaan. Op weg naar geestelijke ontwikkeling.

uit het boekje Michaël

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on HyvesShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista