Twaalf of dertien heilige nachten? De kersttijd!

Alice Woutersen

In onze streken is de midwintertijd een bijzondere tijd. De zon straalt zwak licht uit en de dagen zijn kort. De boog, die de zon aan de winterhemel beschrijft, is laag. In het zuid-oosten komt zij op (het meest zuidelijke punt van opkomst) en in het zuid-westen gaat zij weer onder (het meest zuide­lijke punt van ondergang). Dit was al heel lang in Europa bekend en blijkt o.a. uit de megalithische bouwwerken, zoals New Grange in Ierland, Stone-
henge in Engeland, Table de Marchant in Bretagne e.a.. Deze bouwwerken zijn zo geconstrueerd dat zij nauwkeurig de plek aangeven waar de midwinterzon op de kortste dag van het jaar opkomt.

Wanneer je met ware zonnetijd rekent, d.w.z. dat de zon om 12.00 h precies in het zuiden staat, dan komt de zon op het laatste tijdstip op en gaat op het vroegste tijdstip onder.

Dit is tegenwoordig op 21 of 22 december (volgens de gregoriaanse kalender, die in 1582 is ingesteld). Dat wij dat op onze horloges niet zo ervaren komt doordat wij tegenwoordig niet leven met de ware zonnetijd maar met een middelbare zonnetijd. Gemakshalve hebben wij aangenomen dat de zon elke dag na precies 24 uur weer exact in het zuiden staat. Dat is in werkelijkheid niet zo. De omlooptijd van de aarde rond de zon is niet altijd precies 24 uren, maar fluctueert door het jaar heen en kan zowel positief als negatief wel tot 15 minuten afwijken van de z.g.n. middelbare zonnetijd. In onze moderne tijd waar wij met zeer goede uurwerken werken en tijd een heel belangrijke rol speelt, is het ondoenlijk met deze fluctuaties rekening te houden en is de middelbare zonnetijd (dus dagen van precies 24 uren) op zijn plaats.

Oriënteren wij ons op de hemel, dan moeten wij ons dus realiseren dat onze hedendaagse tijd niet synchroon loopt met de ware zonnetijd die men ruim honderd jaar geleden nog hanteerde. Deze zonnetijd kunnen wij nog steeds heel nauwkeurig meten, door met een kompas het zuiden op te zoeken en een zonnewijzer te maken ( een leuk experiment om met kinderen te doen in de midwintertijd, maar dan moet de zon wel schijnen). De schom­meling van tijd door het jaar heen ontstaat doordat de baan van de aarde rond de zon niet precies een circel is maar iets ellipsvormig. Vroeger was dat geen bezwaar, daar alle uurwerken onnauwkeurig waren en vaak gelijk gezet moesten worden.

De zon en de maan hadden tot het begin van de 20ste eeuw grote invloed op het leven in onze streken. Zij waren de bron van verlichting. Door de invoering van electrisch licht is de mens (wat onze verlichting betreft) niet meer afhankelijk van het licht van de zon en de maan en vanaf die tijd is ons bewustzijn over de stand van zon en maan ook afgenomen. Wij voelen ons onafhankelijk van deze lichtbronnen. Alleen de jaargetijden beleven wij nog enigszins bewust.

Wanneer je verbonden zou zijn met de opgang en ondergang van de zon (maar wie is dat nog in onze tijd?), dan zou je merken dat het tijdstip dat de zon opkomt steeds later wordt tot de kortse dag, dan komt er een tijd dat de zon steeds op dezelfde tijd lijkt op te komen en lijkt het of zij blijft stilstaan.

Zal de zon weer op gang komen en zorgen dat de dagen lengen? Het is of de aarde zijn adem inhoudt: "Zal de zon weer gaan "draaien"?" Dit vind je terug in volksgebruiken, waar in de kersttijd (tussen kerst en 6 jan.) niets mocht draaien, geen spinnewiel, later ook geen koffiemolen. Pas op Driekoningendag (6jan.) als de zon duidelijk weer vroeger opkomt (dus ' weer op gang komt cq gaat draaien) ging men langs de deuren met een draaiende ster (zon): "alles komt weer op gang". Dit is ook het einde van de z.g.n. heilige nachten of dagen. Deze "heilige tijd" of " tijd tussen de jaren" was weer voorbij en het gewone leven kwam weer op gang.

De zon en de maan zijn voor vele vroegere culturen van groot belang geweest. In de zuidelijke landen legde men vooral de nadruk op de stand van de maan. Een jaar werd gemeten in 12 keer de omlooptijd van de maan. Soms werd er gerekend van volle maan tot volle maan en dan bestaat zo'n maand uit 29,53 dagen en heet synodische omlooptijd van de maan.

12 synodische maanden bestaan uit 12 x 29,53 = 354,36 dagen.

Keek men naar de stand van de maan ten opzichte van de sterren en berekent men dan hoeveel dagen er verstrijken tot de maan weer op dezelfde plek t.o.v. de sterren staat dan vindt men de siderische omlooptijd en die is 27,3 dagen.

13 siderische maanden bestaan uit 13 x 27,3 = 354,9 dagen.

Het zonnejaar bestaat uit 365,25 dagen. Dat betekent dat de zon vanaf de aarde gezien weer op het zelfde punt t.o.v. de sterren staat.

Het is duidelijk, dat een zonnejaar niet overeenkomt met een veelvoud van de omlooptijd van de maan. In beide gevallen mis je ongeveer 11 dagen. Dagen die als het ware over(tollig) zijn. Dit werd ervaren als tijd die er niet is, "geen tijd". In het Duits heet het: "Zeit zwischen den Jahren". (Door de eeuwen heen zijn allerlei constructies bedacht om dit tijdsprobleem op te lossen. Tegenwoordig hebben wij wel maanden, maar die zijn niet meer verbonden met de omlooptijd van de maan.)

Voor onze voorouders was deze tijd, "de tijd tussen de jaren", waarschijnlijk niet altijd even lang, maar verbonden met het midwinterpunt en de daarop volgende volle of donkere maan (zoals bij ons ook Pasen verbonden is met de stand van de zon en de volle maan). In deze tijd, die dus "geen tijd" was en men dus even buiten de tijd was werd ervaren als een bijzondere tijd. Deze "geen tijd" liet men in de wintertijd vallen, dus de tijd dat de natuur zich helemaal teruggetrokken heeft in de aarde en de wand tussen de zichtbare en niet zichtbare wereld heel dim is.

In de mysterieplaatsen vonden de grote inwijdingen plaats (waarschijnlijk die tot zonneheld, die verbonden is met een mysterieslaap van 3 dagen), voor het volk was het een feesttijd, waarin gestorvenen en andere geestelijke wezens het dicht konden naderen of zich onder de leven­den bewegen. Dekken voor de onbekende gast aan tafel, slapen op het kerst­stro (Zweden), zodat de voorouders in het bed konden slapen, in wit of stro gehulde figuren die door het dorp trokken of raasden enz. enz. Er zijn nog vele overleveringen (zie bijv. decemberfeesten op de waddeneilanden).

Deze "niet tijd" was ook bedreigend, behalve goede wezens kon je ook demonen en slechte wezens tegenkomen. Volksgebruiken met klokgelui (o.a. Thomas- luiden) en midwinterhoorn blazen wijzen op het verjagen van demonen en waarschijnlijk moet je het lawaai van oud en nieuw daar ook toe rekenen. In deze tijd, maar waarschijnlijk gedurende de gehele winter, werd ook de kaalheid van de aarde ervaren, men legde zich toe op het maken van plastische vormen (o.a. houtsnijwerk e.d.), maar ook op het ontwikkelen van de geest. Wist U dat in de kleine bergdorpjes in Zuid-Frankrijk op de grens met Italië de boeren tot het begin van deze eeuw in de wintertijd Grieks en Latijn bestudeerden en o.a. Homerus lazen?

Sinds de synode van Tours in 567 wordt deze tijd die men tussen 25 dec. en 6 jan. liet vallen officieel de "Twaalf Heilige Dagen" genoemd. Dat was heel wijs van de Kerk, want het was voor het volk altijd al een bijzondere en tevens een feesttijd geweest. Hoe zit het nu met 11, 12 of 13 nachten of dagen?

Het is een kwestie van berekening, want in werkelijkheid gaat het steeds om dezelfde dagen en nachten! Tussen 25 dec en 6 januari liggen de 11 dagen die je als "niet tijd" kunt opvatten. 25 dec-26-27-28-29-30-31-1 -2-3-4-5-6 jan. (26 dec t/m 5 dec zijn 11 dagen (dat is dus de tijd tussen het zonnejaar en het veelvoud van de maanjaren, zie boven) Tel je 25 dec en 6 jan. als één dag of tel je één van beide niet mee (je kunt 6 jan. een nieuw begin noemen) dan kom je op 12 dagen. Rekent men de tussen liggende nachten, dan kom je op 12 nachten. Tel je de kerstnacht als eerste heilige nacht, dan zijn er 13 nachten en tel je alle dagen als een dag, dus zowel 25 dec als 6 jan. dan kom je op 13 dagen.

Steiner zei naar aanleiding van de spreuken van de weekka­lender van 1912/1913 bij de dag van Adam en Eva (24 dec):
...Beginn der 13 Tage, die mystische Vertiefung besonders fruchtbar sind und am 6. Januar endigen".

Dit wisten onze voorouders al eeuwenlang. Hebben wij daar ook nog bewustzijn van of laten wij ons meesleuren door de uiterlijkheden van onze tijd? De keuze is aan onszelf!

uit het boekje Kersttijd en Driekoningen

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on HyvesShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista