Het droomlied van Olaf Åsteson

Alice Woutersen

In het Droomlied vertelt Olaf Asteson van zijn droom die hij tijdens de dertien heilige nachten gehad had. Wanneer vertelde hij? Lang geleden!

Het is een oud lied, waarvan de tekst in dichtvorm is overgeleverd. In de 20ste eeuw is er muziek bij gecomponeerd en het droomlied wordt in deze uitvoering regelmatig in an­troposofische kringen rond Kerst ten gehore gebracht.
Het lied komt uit Noorwegen en werd in 1850 opgetekend door dominee Landstad, die het in een afgelegen dal in Telemarken gehoord had. De tekst werd in het oud Noors voorge­dragen. Dit lied heeft meegespeeld in de taalstrijd in Noorwegen. Eerst werd het Deens door de Deense overheersing ingevoerd als hoofdtaal, later werd Noorwegen aan Zweden gegeven. Pas rond 1900 is Noorwegen weer een zelfstandige staat. Het was voor de Noren een dierbaar lied.

Illustratie van Georg Goelzer, uit zijn boek Der Weihenachtsbrunnen. In dit boek vertelt hij over het Droomlied van Olaf Åsteson.

In 1909 kreeg Rudolf Steiner het lied van de schrijfster Ingeborg Möller en zij maakte voor hem een letterlijke vertaling in het Duits. Deze vertaling werd bewerkt door Steiner. Een aantal keren heeft hij in zijn voordrachten over dit lied gesproken, dat dan ook werd voorgedragen door Marie Steiner. Deze versie * van het droomlied wordt meestal gebruikt bij uitvoeringen.

Steiner was er zich van bewust dat het lied veel uitgebreider geweest was, maar vond deze versie al belangwekkend genoeg om over de inhoud te vertellen. De tijd heeft niet stil gestaan en er zijn meerdere onderzoekers op pad gegaan om nog meer en andere coupletten van het lied te verzamelen en te puzzelen hoe de gevonden coupletten in elkaar pasten. In het boek van Goelzer zijn maar liefst 110 coupletten opgenomen. Wanneer je al deze coupletten leest wordt het duidelijk dat het in dit lied gaat om een individuele inwijding, dat wil zeggen een inwijding zonder hulp van een ingewijde (zoals het in de oude mysteriën gewoon was). Olaf Asteson gaat deze inwijdingsweg hele­
maal op eigen kracht.

Zijn droomlied is een beschrijving van wat hij meemaakt op deze indivuele inwijdingsweg. Zijn lijden, zijn doorzettingsvermogen, zijn waakzaamheid om het midden te houden, het kwaad te aanschouwen en tenslotte weet hij zover door te dringen in de geestelijke wereld, dat hij eerst Michael (of de zielenhoeder) als aangezicht van Christus schouwt en daarna ook Christus zelf. Goelzer maakt in zijn boek duidelijk dat het om een verslag van een echte inwijding gaat en hierdoor is er wel enige voorkennis nodig om het boek goed te kunnen begrijpen.
Het droomlied vertelt dat Olaf op kerstdag in slaapgevallen was en pas de dertiende dag, dus 6 januari, weer ontwaakte. Toen reed hij op zijn paard naar de kerk, ging bij de kerkdeur zitten en hij vertelde daar wat hij gedurende deze "slaap" beleefd had.

Deze "dertien heilige nachtentijd" was ook in vóór christelijke tijd al een bijzondere tijd en een tijd van inwijdingen (zie elders in het boekje). De vóór christelijke inwijdingen verliepen onder leiding van een ingewijde of priester. In dit droomlied wordt gesproken van een inwijdingsweg die Olaf zonder hulp van anderen gaat en wijst op een inwijding, die pas in de na christelijke tijd mogelijk was. Een weg die de mens alleen kan gaan doordat de christuskracht al in hem werkt.

Illustratie van Hans-Dieter Appenrodt uit het boek Het droomlied van Olaf Åsteson. In dit boek staan ook twee voordrachten van Rudolf Steiner over het droomlied (uitgeverij Vrij Geestesleven).

Wie was deze Olaf Asteson? Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. Rond het jaar 400 leefden er in Noorwegen al christelijke ingewijden, net zo als je die ook in Ierland had. Net als bij het Ierse christendom waren dit ingewijden die de komst van Christus op aarde zagen als het afdalen van de Zonnegeest, of de Heer der Elementen, naar de aarde. Deze komst werd binnen de oude mysteriën al verwacht en toen het waar­lijk plaats vond, namen zij het gebeuren waar in de natuur. Toen zij in contact kwamen met het christendom, konden vooral de hoge ingewijden dit makkelijk opnemen en innerlijk een metamorfose doormaken naar een christendom, dat voortwerkte op het fundament van de oude mysteriewijsheid. Hierdoor ontstond in noord Europa een ander christendom dan in het zuiden van Europa. Stelselmatig is deze vorm van christendom door de Rooms Katholieke kerk onderdrukt en zijn alleen de fragmentarische overleveringen van het Ierse christendom nog een nagalm van deze tijd.

Steiner geeft aan dat Olaf Asteson zo'n grote christelijke ingewijde zou zijn geweest en dat deze rond 400 n.C. in Noorwegen geleefd heeft. Tevens is de naam Olaf ook een mysterienaam, net als Arthur (van de Tafelronde). De hoog ingewijde droeg gewoon deze naam en er zijn dan dus meerdere mensen geweest die Olaf heetten. De koning die rond het jaar duizend ervoor zorgde dat Noorwegen christelijk werd, droeg ook de naam Olaf (later werd dat Sint Olaf). Welke Olaf is het geweest? Dat is geschiedkundig niet meer te achterhalen.

Het lied heeft duidelijk de mengvorm van oude en nieuwe (christelijke) beelden door elkaar. In de korte vorm van het lied (zie boven) ligt de nadruk vooral op het oversteken van de Gjallarbrug en dat wat Olaf ziet in het Kamalokagebied (in de Rooms-Katholieke terminologie vagevuur genoemd, het louteringsgebied dat de mens na zijn dood betreedt) en vervolgens het verschijnen van Michael en Christus. In de lange versie (zie Goelzer) komt de werkelijke inwijding en worsteling om de juiste middenweg te vinden duidelijk aan het licht. Tevens worden de metamorfoses zichtbaar, die ontstaan als men vol wilskracht deze weg op de juiste manier bewandelt. Dat is een weg door het duistere rijk heen. Wanneer hij uiteindelijk de hellevorst Grutte Grå-skjegge beleeft is hij eigenlijk tot diep in dit duistere rijk afgedaald. Hij weet zich hier staande te houden en daardoor is hij in staat nu Michael en Christus te schouwen. Dit is een belevenis, die ook wel "het schouwen van de zon ter middernacht" genoemd kan worden. Hij is in staat om vanuit zijn eigen kracht Michaël en Christus te schouwen! Dat is een waarlijke inwijding!

Literatuur

  • Het droomlied van Olav Asteson uitg. Vrij Geestesleven ISBN 90 6038 161 0.
  • G. Goelzer Der Weihenachtsbrunnen uitg. Verlag am Goetheanum, ISBN 3-7235-0466-3

George Goelzer

uit het boekje Kersttijd en Driekoningen

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on HyvesShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista