Carnavalskleding 1

De tovenaar, de clown, het aardbeienvrouwtje en het konijntje

De Zonnejaargroep

Kinderen vinden het heerlijk om zelf aan hun uitrusting mee te helpen.

De tovenaar heeft een cape van een hele stofcirkel van etalageflanel, met goudpapieren figuren 'bestrooid' (zie tekening B).

Onder de cape kan een rimpelrok of een lang jak gedragen worden.

De hoed is naar hetzelfde patroon gemaakt als die van de clown; er is nog een rand aan gemaakt (zie tekening C).

Sloffen kunnen worden versierd met metalen of goudkartonnen gespen.

Een baard van wol of katoen (hennep is ook prachtig) op een strookje stof genaaid of geplakt vervolmaakt de uitrusting.

De clown krijgt een muts van een kwart cirkel. Plak deze dicht. (zie tekening C)

Bevestig drie grote pompoenen op de muts, drie op het jak, en twee op de schoenen.

Voor het aardbeienvrouwtje en de clown wordt hetzelfde patroon gebruikt.

Neem een dubbele lap (van een laken of of ongebleekt katoen) en leg hierop een goed zittend T-shirt en een lange broek.

Knip T-shirt en broek 6 cm ruimer na, en zet het pak in elkaar.

Verf het pak van het vruchtenvrouwtje rood, en rijg in de onderkant van de mouwen en het hes een elastiek.

Voor het mutsje neem je een strook crêpepapier van 80 bij 30 cm (zie tekening D). Rijg er een draad doorheen, ongeveer 10 cm van boven, trek de draad daarna aan.

Voor het konijntje is als basis een hansop, trainingspak, pyama of trui met maillot nodig.

De staart is een wollen pompoen. Het mutsje is een bivakmuts. Ook kan een afgeknipte mouw van een oude trui gebruikt worden, naai hiervan de bovenkant dicht. Deze muts kan onder de kin vastgestrikt worden (zie tekening A).

Maak oren van ijzerdraad en naai of wikkel er stof of crêpepapier omheen.

Voor een schaap kun je op dezelfde basis, maar met een omgekeerde oude vachtjas erover, en een pluk wol op het hoofd een prachtig effekt krijgen.

uit het boekje Maria Lichtmis en elementenwezens

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista