De strijd tussen Carnaval en Vasten (1559)

Een schilderij uit 1559 van Pieter Bruegel (de oude)

Mirjam Chamuleau

Klik hier... voor een grote versie van het schilderij.

In de tijd dat Pieter Bruegel de oude (hij werd ook wel boerenbruegel genoemd) leefde, in de middeleeuwen, was het hoofddoel van de kunst het verkondigen van de christelijke moraal, of het opwekken van christelijke gevoelens.

Men beschouwde de mens als een zwak wezen, zijn dwaasheden werden meedogenloos aan de kaak gesteld.

Het tijdstip van Bruegels geboorte (1525 Son en Breugel) viel samen met de bloeitijd van Michelangelo. Het was niet lang nadat Maarten Luther de roomse kerk had uitgedaagd.
Vlak voor Bruegels dood (1569) in Brussel,waar hij ook begraven ligt in de kerk van Notre Dame de la Chapelle, brak de 80jarige oorlog uit.

Zijn schilderij 'Tussen Carnaval en Vasten' geeft een prachtig beeld van het alledaagse leven uit die tijd.

Als je er wat langer naar kijkt kun je in dit ogenschijnlijke 'geheel' twee helften onderscheiden, twee tegenstellingen:

Links- de dikke vette Carnaval op de bierton (protestant)

Rechts-de dorre magere Vasten op de bidstoel (katholiek)

Links- de wereldse kant met de herbergen 'de blauwe schuit' en 'de draak'

Rechts-het geestelijke deel: de kerk.

Links- Voor de herberg zien we onder het 'tentje' de opvoering van de klucht 'de vuile bruid'. Het is een verhaal van de romeinse schrijver Vergilius, over de bruiloft tussen de herder Mopsus en het herderinnetje Nisa. In de 16e eeuw werd dit verhaal omgewerkt tot een satirische klucht en in die tijd vaak opgevoerd, b.v. in Den Bosch in 1556. Het werd ook vaker afgebeeld in de kunst.

Links- Nog een opvoering voor de andere herberg, (grijze figuur met knots over de schouder tegenover een persoon met blauwgrijze mantel en geel hoedje). Dit stuk heet : 'Valentijn en Oerson'. Het gaat over tweelingbroers die achtergelaten worden in een bos. De een groeit uit tot een 'wildeman', de ander wordt ridder in het leger van Pepijn.

De ridder trekt ten strijde tegen de wildeman, die de omgeving onveilig maakt, hij herkent zijn broer in de wildeman en weet hem te 'temmen' (thema: spanning tussen goed en kwaad).

Rechts- Tegenover al deze 'wereldlijkheid' zien we de kerk waar de biecht wordt afgenomen.

Links- De herberg heet 'de Blauwe Schuit', en ook de dikke carnaval zit op een 'blauwe schuit'.

De blauwe schuit was (en is) de naam voor de wagen van prins carnaval. In de tijd van Bruegel werd deze scheepswagen door de stad rondgetrokken met stedelingen erop, die verkleed waren, en zo het 'uitschot' van de maatschappij verbeeldden.
De wagen werd dan ook uiteindelijk buiten de muren van de stad gereden.

Blauw staat voor: de andere wereld, de wereld van de schijn.
Wij komen dat nog steeds tegen in uitdrukkingen in onze taal zoals: 'een blauwtje lopen', en 'een blauwe maandag'.

Over het hele schilderij verdeeld zien we lammen en kreupelen, zo natuurgetrouw afgebeeld dat een franse arts, Antoine Torilhon, in 1959 aan de hand van de afbeeldingen precies kon vaststellen wat een ieder mankeerde!

Ook zijn er nogal wat blinden te zien zoals, links voor, de man met de foekepot en rechts de blinde bedelaars.

Bruegel was gefascineerd door blinden; hij schilderde hen vaak als beeld van de innerlijke blindheid voor het ware geloof. Een uitspraak van Bruegel was: "wat baat keers noch bril als den esel niet sien en wil".

Links- zien we wafels afgebeeld (genaamd 'al om niet'), en pannenkoeken. Dat was echt 'vastenavond'voedsel, want vet en eieren waren verboden in de vastentijd.

Rechts- zien we vis, mosselen en zoute krakelingen: vastenvoedsel. Zoute krakeling staat voor de broosheid van het bestaan, en het krakelingen trekken was een bekend vastengebruik.

Carnaval (links) en Vasten (rechts), zoals ze hier zijn afgebeeld, zijn ook beeld voor twee belangrijke bekende clowns uit die tijd nl: Hansworst en Pekelharing. In het midden bij de put kunnen we dat nogmaals zien (als symbool) in het varken en de vis.

Links- Carnaval: te dik, gezeten op een bierton met een braadspit in de hand, vaak behangen met worsten, konijnen en gevogelte, allemaal vruchtbaarheidssymbolen.

tegenover:

Rechts- Vasten: te mager, dor, schraal, gezeten op een bidstoel, met op haar hoofd een bijenkorf- in Bruegels tijd symbool voor hoop, goede oogst, vruchtbaarheid. In haar hand heeft zij een bosje twijgen, symbool voor de menselijke nederigheid, en in haar andere hand een spatel met vis erop.

Vis was naast vastenvoedsel ook het voedsel van de 'armen', de dienstmeisjes. Er was bedongen bij de aanvang van hun dienst dat zij geen zalm hoefden te eten!

Achter Vasten staat een jongen met een rood-geel-witte vlag, die ook is afgebeeld op een Sint Maartensschilderij van Bruegel .
Hij is symbool voor het verschil tussen arm en rijk (ook geestelijk)

We zien links: het gevolg van Carnaval: feestvierend, drinkend, spelend, luierend. (vet)

tegenover

Rechts-het gevolg van Vasten: ingetogen, vroom, werkend (vis schoonmaken, ramen wassen, brood verkopen) en aalmoezen uitdelend . (mager)

Vet tegenover mager, (in het frans noemde men de vastentijd 'jours gras, jours maigre'), dat is het spanningsveld in dit schilderij, maar in het midden komen deze twee samen in het beeld van de put.
In de put, waar een jongen het levenbrengende water heeft opgehaald en zich erin 'spiegelt', zien we het, zo bij carnaval horende, 'ken u zelve'-motief.

Je uitleven in twee uiterste aspecten en zo 'in het midden' evenwicht vinden in jezelf worden hier uitgebeeld.

uit het boekje Maria Lichtmis en elementenwezens

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on HyvesShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista