Dinsdag

De Stille Week

Mirjam Chamuleau

1. Jezus spreekt in gelijkenissen,
2. Jezus geeft de apostelen de beelden uit de apocalyps.

Na de maandag waar Jezus het oude afwijst, gaat Hij nu, dinsdag, verder dan dat: Hij gaat de strijd aan. Dinsdag - Marsdag - dag van de strijd.

Het volk is de leer van Jezus toegenegen maar de leiders hebben de afwijzing van Jezus begrepen; zij zijn vervuld van angst. Zij voelen het verhevene van het wezen van Jezus en dat maakt hen angstig en agressief.

Zij gaan tot de aanval over, niet met wapens maar met woorden: dolkstoten vermomd in de vorm van een vraag. Men hoopt op een antwoord van Jezus dat hem zo zou compromitteren dat ze hem gevangen zouden kunnen nemen.

Maar Jezus verbaast hen door zijn antwoorden. Hij stelt ze wedervragen en gaat zelfs zover dat Hij ze een strikvraag stelt, in een laatste, uiterste poging hen wakker te schudden voor wat hier echt gebeurt. Er worden hem vier vragen gesteld:

1. De eerste vraag stellen de hogepriesters: zij vragen hem krachtens welke bevoegdheid Hij handelt; Hij moet zich legitimeren (Math.20).
Jezus antwoordt in een strijdbare gelijkenis over de wijngaardeigenaar die zijn wijngaard verpacht.

In de oogsttijd stuurt hij zijn knechten om de vruchten te oogsten; zij worden door de wijnbouwers omgebracht. Dan stuurt de eigenaar zijn zoon; ook deze brengen zij om in de hoop de vruchten zelf te kunnen behouden. De wijngaardeigenaar verdrijft ze dan, en geeft zijn gaard in pacht aan mensen die de vruchten wel tot hem brengen.

De tegenstanders van Jezus begrijpen dat Hij in deze gelijkenis over hén spreekt, maar ze begrijpen de boodschap niet en laten zich niet wakker schudden.

2. De tweede vraag stellen de Farizeeën en Herodianen; zij vragen of het geoorloofd is aan de keizer belasting te betalen.
Jezus vraagt hun: "Van wie is de beeldenaar op de munt?" Zij antwoorden: "Van de Caesar". Jezus spreekt: "Geef aan de keizer wat des keizers is, en wat van God is aan God".

3. De Sadduceeërs, die zelf niet in opstanding geloven, stellen hem een vraag over de opstanding uit de dood. Jezus laat in zijn antwoord zien hoe vervreemd ze zijn geraakt van 'de Geest' en hoe ze hun blik op het aardse gericht houden.

4. De vierde vraag wordt hem gesteld door een enkele geleerde. Deze vraagt Jezus wat het voornaamste gebod is.
Jezus antwoordt dat de Liefde het hoogste gebod is.

Dan, als niemand meer iets durft te vragen, spreekt Jezus het negenvoudige 'wee u' uit over de farizeeërs (de tegenhanger van de zaligprijzingen in de bergrede). Het 'wee u' is de ontmaskering van de mensheid die God vijandig gezind is.

Hiermee eindigt de woordenstrijd.

Als een weerklank van de dag spreekt Jezus, als het avond is geworden, op de olijfberg zijn discipelen toe (de olijfberg apocalyps). Hij geeft hun een blik op de grootse gebeurtenissen die zich in de toekomst in het lot van de mensheid zullen voltrekken.

Het hele verloop van de wereldgeschiedenis zal niets anders zijn dan één grote 'scheiding der geesten': zij die naar het goddelijke streven en zij die dat tegenwerken. Maar in een aantal gelijkenissen geeft Hij hun ook moed als Hij spreekt over zijn wederkomst.

De woorden, gesproken op deze dinsdag, laten de strijd tussen licht en duisternis zien; duisternis die overwonnen kan worden door de kracht van het geloof. Immers, alle vijandschap tegen de geest heeft haar wortels in ongeloof, zwakte en angst van de menselijke ziel.
Hij roept ons op deze strijd te strijden in ons innerlijk, in onze eigen ziel.

Er is grote moed voor nodig deze strijd te strijden: "Zichzelf bevechten is de zwaarste strijd, zelfoverwinning het mooiste wapenfeit." Jezus geeft ons het geheime wapen voor deze strijd: de Liefde, Liefde als tegenkracht van angst.

Dat leert ons de dinsdag van de Heilige Week.

uit het boekje Pasen, Hemelvaart, Pinksteren

pagina afdrukkenShare on FacebookShare on HyvesShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

AntroVista